
Hoe het begon
Op 30 november 1988 was het precies 10 jaar geleden dat zes mensen elkaar ontmoetten in de wachtkamer van notaris De Rooij te Enschede. Twee initiatiefnemers van het project, dat bekend zou worden als "De Tukker" en drie aspirant-bestuursleden van de op te richten "Stichting Zeilschip De Tukker". Direct na de formele geboorte van de nieuwe stichting was de eerste handeling van het bestuur het kopen van een schip. Daarvoor was de zesde man gekomen: de eigenaar van de "Harle Tief", een motorschip dat hij een jaar daarvoor uit het Noord-Duitse haventje Carolinesiel had gehaald.
Met de initiatiefnemers had de jonge stichting van meet af aan veel technische kennis, organisatietalent en ervaring in het jongerenwerk in huis. Geld was er niet! Dat werd echter ruimschoots gecompenseerd door enthousiasme en overredingskracht. Coerman en Poelman gingen aan de telefoon zitten en presteerden het om binnen twee weken voor het bedrag van fl 30.000.= aan renteloze aandelen te plaatsen. De naam "Harle Tief" kon worden vervangen door "De Tukker".
Met behulp van een kleine groep jongeren werd het schip van Amsterdam naar Twente gevaren. Die tocht was niet zonder risico. Het schip was ernstig verwaarloosd en als gevolg daarvan zag het er van boeg tot achtersteven troosteloos en miserabel uit. Onderweg viel de boordverlichting uit... Het was een weinig bemoedigend begin.
Ondanks deze misère werd Enschede zonder averij gehaald. Een comité van ontvangst was er niet; wel een zeer sceptisch kijkende havenmeester. De man was gewend de pronte binnenschepen van ordentelijke grind- en zandschippers te zien binnenkomen. Dat er voor deze onappetijtelijke roestbak nog een geloofwaardige toekomst zou bestaan, wilde er bij hem kennelijk niet in. De gelegenheidsbemanning wist inmiddels beter. Tijdens de gedenkwaardige tocht van Amsterdam naar Enschede hadden ze immers van een kenner - die blijkbaar onder het haveloze uiterlijk de kwaliteit van het schip had gezien - een bod van fl 50.000,- gekregen!
Na een strenge vorstperiode begon in februari 1979 het immense karwei van het roestbikken, schoonmaken en verbouwen. De jongeren zijn er, bij wijze van spreken, van de eerste mep met de bikhamer tot de laatste streek met de verfkwast bij betrokken. Niet alleen omdat het een inspirerend werkproject was, maar omdat het ook "hun" schip moest worden. Het ploeteren en sjouwen, samen met de hard meewerkende schippers, zou een gevoel van verbondenheid kunnen bevorderen - zo was de verwachting - waardoor al in de beginperiode een vriendenkring rond De Tukker groeide.
Het schip heeft in die beginperiode voor een deel zijn eigen onderdelen vervoerd. Daarvoor werden soms korte reizen gemaakt. Het verwerkte materiaal was vaak tweedehands. Zo is een belangrijk deel van het interieur getimmerd van vloerplanken uit het gesloopte gymnastieklokaal van het Enschedese Lyceum. Tweedehands spullen drukten niet alleen de kostprijs. Ze gaven het project ook een immateriële meerwaarde. De meewerkende jongeren zagen onder hun eigen handen het bewijs groeien, dat met eenvoudige middelen een prachtig schip, "hun" schip, kon worden gebouwd. En daar was het de initiatiefnemers om te doen geweest. De Tukker opnieuw in de vaart te brengen was geen doel, maar een educatief middel.
Voor de financiering van het project was het in zekere zin een geruststelling, dat het geleende geld ruimschoots gedekt kon worden door de verkoopwaarde van het schip. Bovendien zou die verkoopwaarde, na een eerste fase van afbraak en daarna herstel, door nieuwe investeringen ook nog oplopen. Echter, voor die investeringen was geld nodig, veel geld. Hiervoor moest permanente actie worden gevoerd. Particulieren, kerken, verenigingen, bedrijven, fondsen... een opsomming van allen die hulp boden zou enige bladzijden lang worden. Dat kan dus niet. Wat wel kan is het vermelden van de oprechte en hartgrondige erkentelijkheid voor al die hulp.
Hierop volgde de exploitatie. De initiatiefnemers droegen in de persoonlijke zin een belangrijk steentje bij door als vrijwilligers aan de slag te gaan. De gemeente Enschede gaf een bescheiden subsidie en er waren enkele andere, niet structurele, inkomsten. Toen de gemeente Enschede in 1981 in financiële moeilijkheden kwam, viel deze ondersteuning voor "De Tukker" helaas weg.
Dankzij een samenwerkingsovereenkomst met de Van Ouwenaller Vereniging te Rekken kon één van de projectleiders op De Tukker blijven doorwerken. De andere projectleider werd formeel als werkloze ingeschreven, maar mocht met behoud van uitkering als vrijwilliger blijven meewerken.
De twijfel of het schip ooit in de vaart zou komen, was groot bij velen. Het project werd gewaardeerd als een prima werkproject voor jongeren, maar meer ook niet. Die twijfel was begrijpelijk; het leek een onmogelijke opgave. Het geheim van het welslagen ligt in de onverzettelijkheid van de projectleiders, de burgerzin van particulieren en de medewerking van instellingen. De stichting heeft in die periode wel eens risico’s moeten nemen, maar die bleven altijd onder het totaal van de verkoopwaarde van het schip.
Op 17 juli 1982 werd het schijnbaar onmogelijke toch mogelijk. Onder een stralende zon lag de voormalige, verbouwde vrachtvaarder trots te pronken in de haven van Enschede. Mevrouw Weissink-Busschers, één van de donateurs van het eerste uur, verrichtte de doop. Burgemeester Wierenga van Enschede sprak een passend woord. Het feestje dat daarop volgde luidde een nieuwe fase in het bestaan van De Tukker in.
Het project had zich bewezen. Het departement van WVC, de Provincie Overijssel en de gemeente Enschede gingen subsidiëren. Ingrijpende veranderingen hebben zich de afgelopen jaren niet voorgedaan. Wel heeft het werk zich verdiept en kwamen er, naast de verbindingen met de jongeren en de instellingen voor jeugdhulpverlening in geheel Overijssel, contacten met justitie in de arrondissementen Almelo en Zwolle. Het wegvallen van De Tukker als restauratie-werkproject werd als een gemis ervaren, omdat er een blijvende behoefte is aan opvang- en leerprojecten in het netwerk van contact leggen met jongeren, het varen en de nazorg. Met een éénmalige investeringssubsidie van de gemeente Enschede is daarom een oud casco gekocht van een skütsje (een Fries zeilend vrachtschip voor de binnenvaart). Dit casco wordt nu in de "De Loods" in het havengebied van Enschede door jongeren weer gereedgemaakt voor de functie van zeilend binnenvaartschip.
Het Schip
Het schip, dat nu De Tukker heet is in 1912 voor Duitse rekening gebouwd in Martenshoek (Gr). Als zeilend vrachtschip heeft het niet de tijd gekregen een roemrijke historie op te bouwen. Twaalf jaar na de tewaterlating werd het al omgebouwd tot motorschip met hulpzeil vermogen. Het werd onherkenbaar verminkt toen het vier meter werd verlengd en de zwaarden werden verwijderd.
De laatste jaren bracht het als vrachtschip varend vaartuig onder de naam "Harle Tief" door op de Duitse Waddenzee. Daar werd het in het havenplaatsje Carolinesiel gevonden door de Amsterdamse toneelspeler Jack Vecht. Hij voer het schip naar zijn woonplaats. Enige maanden later werd het verkocht aan de Stichting Zeilschip De Tukker.
Onder aanvoering van de projectleiding is het schip daarna omgebouwd tot een zeewaardige zeilklipper. Het voldoet ruimschoots aan de veiligheidseisen van het bureau Zeilwezen. Voor de manier waarop het schip in de oude staat is teruggebracht, verwierven de restaurateurs een wisselbeker.
De inrichting van De Tukker is niet luxueus, maar eenvoudig, praktisch en vooral degelijk.
Aan boord is er een: